“Moeilijk om alles achter te laten? Helemaal niet!”


Herdachten we vorig jaar dat de grote groep van voornamelijk KNIL-militairen 65 jaar geleden in Nederland aankwam, dit jaar is het 55 jaar geleden dat er ca. 1600 Molukkers uit Nieuw-Guinea als evacué in Nederland werden opgevangen. Dat was na de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië in het najaar van 1962. De groep bestond o.a. uit gouvernementsambtenaren en RMS-sympathisanten. Annis Lekransy was vooral nieuwsgierig naar Nederland: “Ik vond het spannend. Ik was echt benieuwd hoe het zou zijn, hoe de mensen zouden zijn en hoe het land zou zijn. Dat overtrof alles.”

Dit interview hoort bij de reeks ‘Wat is thuis’ en is afgenomen door beeldend kunstenaar en fotograaf Anneke Savert. In deze serie vertellen eerste en tweede generatie Molukkers hoe zij het leven in Nederland hebben opgepakt en hier ondanks alles een nieuw thuis hebben gecreëerd.

Annis Lekransy (foto: Anneke Savert)

Annis Lekransy is geboren in Ahiolo (Seram) waar zijn ouders als zendelingen werken. In 1948 wordt vader overgeplaatst naar Zuid-Nieuw-Guinea en zijn gezin gaat mee. Annis is dan vier jaar oud. “Toen we daar aankwamen hebben we bij iemand een paar maanden in huis mogen wonen. Inmiddels moest mijn vader al naar het binnenland om te gaan werken als zendeling. Ze noemden dat guru jum’at. Dus hij deed er ook school bij. Daarnaast had hij landbouwkunde in zijn opleidingspakket. Dat was heel belangrijk, want die mensen hadden advies nodig en als je advies kon geven over de landbouw, dan had je tegelijk goodwill gekweekt! Het geloof komt dan vanzelf. Mijn moeder heeft toen een baan kunnen krijgen als onderwijzeres op een lagere school. In de tussentijd zaten we nog bij andere mensen in huis maar gelukkig heeft dat niet zo lang geduurd. Toen konden we een huisje huren dichtbij de school van mijn moeder in Merauke. Mijn moeder bleef daar met ons en binnen een paar jaar is ze schoolhoofd geworden. Later, toen mijn vader terugkwam, werd hij overgeplaatst naar het dorpje Muli, ongeveer 5 kilometer van Merauke. Vandaar moesten we elke dag 5 kilometer naar school lopen, want er was geen openbaar vervoer. (..) Het diensthuis was van de kerk. ‘Rumah gereja’ noemden ze dat. (..) Daar hebben we een tijd gewoond. Een paar jaar later hebben we zelf een stuk grond gekocht en daarop een huis gebouwd waarheen we zijn verhuisd.”

Annis heeft warme herinneringen aan zijn jeugd in Muli en geeft enthousiaste beschrijvingen van het land, de flora en de fauna. Een geweldig speelterrein voor een kleine jongen. “Kippen, varkens, paarden, koeien, ik heb zelfs een kangoeroe gehad.”

Voor het diensthuis in aanbouw. Jongetje met hand op fietswiel is Annis (coll. A. Lekransy)

In 1958 ging Annis naar een nieuw opgezette Mulo in Merauke. Toen de overheid na een jaar de subsidie van die school stopzette, stapte hij over naar de Mulo in Hollandia, aan de noordkust van Nieuw-Guinea. “Het is 2,5 uur vliegen, best lang. Daarom heeft mijn moeder geregeld dat ik bij iemand in huis mocht. (..) Ik ging in korte broek, met een klein koffertje. 14 Jaar oud, ja. Bij onbekenden ging ik in huis. Zo ging het toen. Eigenlijk vond ik het niet leuk en ik voelde veel verdriet bij het afscheid, maar ik begreep wel dat het echt moest. Ik was ook heel nieuwsgierig naar het onbekende. Daardoor drukte ik de emoties een beetje naar achteren. Later dacht ik: ja het is niet niks… met 14 jaar ga je al weg van huis, dan begin je al met een soort zelfstandigheid. Dan moest je zelf alles al regelen. En je woonde wel bij mensen, maar de rest was helemaal je eigen discipline.”
De periode vlak voor de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië (in 1962) was onrustig. Annis: “Je merkte in de hele stad dat het ongeordend was. Iedereen praatte alleen over weggaan. Ik dacht toen: daar gaat het eigenlijk om. Niemand wilde blijven en die mensen die de kansen niet kregen om weg te gaan, die waren natuurlijk teleurgesteld of soms vonden ze het best. Je wist toen ook niet wie van die mensen die daar nog waren pro-Nederland of pro-Indonesië waren. Dus je was echt ook op je hoede.”

“Toen kregen we ook een telegram uit Merauke van thuis met de tekst: ga geld halen, ga maar naar Nederland. Wij gaan ook. Op die manier. Ja een heel kort bericht. [..] Wat het met me deed? Ik heb er nooit zo over nagedacht. Ik ging gewoon een paspoort regelen, een ticket kopen en zorgen dat ik weg kon. Meer niet. En dat was misschien weer mijn overlevingsdrang om niet te veel stil te blijven staan bij wat er aan de hand was. Om gewoon te gaan. Ik vond het spannend. Ik was echt benieuwd hoe het zou zijn, hoe de mensen zouden zijn en hoe het land zou zijn. Dat overtrof alles. Ik had natuurlijk aardrijkskunde geleerd. Ik wist hoe je van Groningen naar Zeeland moest reizen met de trein. Dus ik denk dat dat de overhand had. Opgetogen zijn om het nieuwe en de drang om door te gaan.”

“Op een gegeven moment heeft de regering in eerste instantie alle ambtenaren aangeschreven of aan hen medegedeeld: jullie mogen naar Nederland. Alle ambtenaren mochten kiezen om naar Nederland te gaan. Dat was een keuze. Die regeling was alleen voor de ambtenaren, maar natuurlijk was niet iedereen ambtenaar. Er kwamen protesten, want vooral in het zuidelijke gedeelte van Merauke waren heel veel mensen die aanhanger waren van de RMS. In de periode dat de infiltranten actief waren, hadden ze meegeholpen om te vechten tegen die infiltranten. Niet als militair, maar ze hebben toen een civiele wacht georganiseerd om de stad te beveiligen, terwijl de militairen en de politie in actie kwamen tegen de infiltranten. Ik denk dat bij veel Molukse mensen die niet bij de regering werkten, er gewoon een sterke angst was om bij Indonesië te blijven. Het was voor hen toch echt een vlucht hoor... Heel veel  mensen zagen dat toen als vlucht. Hier in Nederland werd toen ook actie ondernomen om te regelen dat ook die mensen naar Nederland mochten komen. Ik dacht onder meer door 'Door de eeuwen trouw' en door de RMS-groepsleiders uit Nieuw-Guinea. Maar als je zelf voor de regering werkte, was het toch meer een maatschappelijke keuze. Uiteindelijk kreeg iedereen een kans. Ze mochten kiezen of ze wilden komen of niet. Voor mijn ouders was het weer wat anders, want ze werkten voor de Nederlandse regering. Ze hadden beiden, zowel mijn vader als mijn moeder, ook hun pensioenen opgebouwd. Dus als je het praktisch bekeek, redeneerden ze van: ‘ja, we hebben pensioenen opgebouwd, dus als we niet naar Nederland gaan, zijn we die kwijt.’ En door de hele sfeer in Merauke voelde iedereen toch wel een sterke maatschappelijke druk om te vertrekken.”

“Er was daardoor een heel groot verschil in impact met de al bestaande Molukse gemeenschap in Nederland. Dat verschil merk je nog steeds. Omdat we zelf de keuze gemaakt hadden, kwamen we ook heel anders in een ander land. We kwamen hier met de bedoeling om er het beste van te maken. We zijn niet gedwongen. Van het KNIL zijn ze hier op een andere manier binnengekomen. Ze hadden niet verwacht om hier in Nederland te zijn, maar mensen uit Merauke of Nieuw-Guinea hebben een keuze kunnen maken. Wij werden hier ook anders opgevangen. Wij werden gewoon tussen de Nederlandse bevolking geplaatst. Weliswaar in contractpensions, maar later woonden we ook apart, dus buiten de gemeenschap zeg maar. We hebben hier geen echte Molukse gemeenschapsvorm.”

Ouders van Annis (coll. A. Lekransy)

Annis kwam met het vliegtuig naar Nederland en werd opgevangen in Sappemeer (Groningen). Enkele maanden later kwamen ook zijn ouders, broer en zus. Net als de meeste van de Nieuw-Guinea-Molukkers werden zij in Wezep opgevangen waar de Willem de Zwijgerkazerne ingericht was als tijdelijke opvangplaats. Daarna verhuisden zij naar Scheveningen. Annis voegde zich bij het gezin maar moest na jaren op zichzelf te hebben gewoond, er enorm aan wennen om weer in een gezin mee te draaien.

Lees het hele interview

Gereformeerd Gezinsblad 25 maart 1963




Laatst bijgewerkt: 4 maart 2017