Een Molukse les voor Asielzoeka’s

Column door Fridus Steijlen

In het begin van dit jaar sloeg een aantal onderzoeksbureaus alarm: vluchtelingen zouden een nieuwe onderklasse in Nederland worden. De onderzoekers drongen erop aan dat gewerkt zou worden aan een versnelde integratie. Laat ze zo snel mogelijk gaan werken en Nederlands leren, anders oogsten we criminaliteit was de, wat versimpelde, boodschap. Deze noodkreet was gebaseerd op een studie naar de integratie van 33.000 asielzoekers door het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC), het Centraal Planbureau (CPB) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) (Volkskrant 5 januari 2016). Alle drie zeer gerenommeerde onderzoeksinstellingen. Er waren ook onderzoekers die wat kritische kanttekeningen bij de alarmerende conclusies zetten. Zo verbaasde het bijvoorbeeld Leo Lucassen, historicus en specialist op het gebied van migratiegeschiedenis van de Universiteit Leiden, dat in de studie erg veel aandacht aan criminaliteit onder asielzoekers werd besteed. Daarvoor was volgens hem geen noodzaak omdat die statistisch even hoog was als criminaliteit onder autochtone leeftijdsgenoten in dezelfde sociaaleconomische positie, namelijk 4 procent.

De berichten deden me denken aan eerdere discussies toen uit onderzoek onder Molukkers bleek dat sprake was van sociaaleconomische achterstanden. Begin jaren tachtig was bijvoorbeeld de werkloosheid met 40% onder de Molukse beroepsbevolking tweeëneenhalf keer zo hoog als onder de totale Nederlandse beroepsbevolking, waarbij onder jongeren in bepaalde gemeenten zelfs uitschieters van 70% werkloosheid waren gemeten. Uit die Molukse geschiedenis moeten lessen voor de vluchtelingen te trekken zijn.

In een aantal opzichten is de situatie waarin zij verkeren vergelijkbaar met die van Molukkers in de jaren vijftig en zestig. Niet wat betreft de reden van hun komst en de relatie met de Nederlandse regering. Molukkers kwamen immers 65 jaar geleden, in 1951, naar Nederland als voormalige leden van het koloniale leger onder directe verantwoordelijkheid van de Nederlandse regering. En de Molukkers ambieerden zo snel mogelijk weer terug te keren naar een eigen onafhankelijke republiek. Wat betreft de opvang zijn ze wel vergelijkbaar. Molukkers kwamen in geïsoleerde woonoorden terecht, vluchtelingen in relatief geïsoleerde asielzoekerscentra. Enige tijd geleden zag ik de documentaire 'Asielzoeka's'. Die ging over jongeren die als kind naar Nederland waren gevlucht en met enige heimwee op hun tijd in de asielzoekerscentra (azc) terugkeken. Op facebook noemden zij zich ‘Asielzoeka’s’. De ‘nostalgische’ terugblik op hun tijd in het azc deed mij denken aan de manier waarop de tweede generatie over het leven in de woonoorden kan praten. Zij benadrukken de vrijheid, de kameraadschap en het gevoel in een eigen wereld (de Molukken dachten ze vaak) te hebben geleefd. Ook in andere opzichten is de situatie van Molukkers en Asielzoeka’s vergelijkbaar: de moeizame toegang tot de arbeidsmarkt. Én vluchtelingen komen niet naar Nederland om hier perse te blijven, men is op de vlucht en velen dromen ervan ooit terug te kunnen keren. Volgens het al genoemde artikel in de Volkskrant bijvoorbeeld, was een derde van de asielzoekers die tussen 1998 en 2007 naar Nederland waren gekomen, alweer vertrokken en na het einde van de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië keerden enkele duizenden vluchtelingen terug naar hun geboortegrond.

Links: woonoord Lunetten, 1958. Rechts: AZC (uit: 'Asielzoeka's')

Voor Molukkers werkte het woord ‘integratie’ tot de jaren tachtig als een rode lap op een stier. Hoewel het begrip assimilatie staat voor volledige aanpassing, stond voor Molukkers ‘integratie’ ook voor verlies van identiteit én opgeven van de hoop om terug te keren naar een onafhankelijk Molukken en was dus onacceptabel. Er was immers slechts sprake van een ‘tijdelijk verblijf’. Het ‘tijdelijke verblijf’ heeft Molukkers lange tijd buiten de Nederlandse samenleving gehouden. Dat zat hem niet zozeer in het woord ‘tijdelijk’, maar vooral in ‘verblijf’. ‘Verblijven’ is passief. Het is ‘alleen maar aanwezig zijn’, je hoeft niet mee te doen. Voor die eerste periode van Molukkers in Nederland wordt wel vaker ‘wachtkamer’ als metafoor gebruikt. Ook dat is passief: zitten wachten totdat je verder mag. ‘Tijdelijke participatie’ was een betere benadering geweest: actief deelnemen in afwachting van de mogelijkheid terug te keren naar het land van herkomst. Als dat voor Molukkers had gegolden, waren de sociaaleconomische achterstanden misschien niet ontstaan, of in ieder geval minder geweest.

In de ‘tijdelijke participatie’ ligt de Molukse les voor Asielzoeka’s. In het begin weten ze nog niet of ze mogen blijven en daarna zelfs niet of ze willen blijven. Waarom grote woorden als ‘versnelde integratie’ gebruiken, wat het gevoel geeft dat Asielzoeka’s moeten kiezen voor Nederland? Waarom niet maatwerk en voorlopig spreken van ‘tijdelijk participatie’? Dat geeft de Asielzoeka’s ook de mogelijkheid te blijven dromen en hopen op terugkeer.


Bekijk de documentaire 'Asielzoeka’s' 

Boeken bestellen




Laatst bijgewerkt: 13 jan. 2016