2015: terugkijken op veranderende verhoudingen in de wereld


2015 is wat zo mooi heet een kroonjaar. Zeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog en zeventig jaar na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië, vijfenzestig jaar sinds de proclamatie van de RMS, veertig jaar onafhankelijkheid van Suriname en vijf jaar sinds de Nederlandse Antillen ophielden te bestaan.

Het zijn bijna te veel historische feiten om op te noemen. In 2015 zal er veel worden teruggekeken en herdacht. Maar wat gebeurde er in 1950, waarom en met welke gevolgen? Welke gebeurtenissen worden herdacht, welke niet? Om het kroonjaar van een achtergrond te voorzien zetten we, in een serie van drie artikelen, de belangrijkste historische gebeurtenissen nog eens kort op een rij. Vorige maand was dat 1945. Dit keer 1950, een jaar met enorm veel veranderingen.

1950 (vijfenzestig jaar)
In 1949 was er een einde gekomen aan de strijd tussen Nederland en Indonesië. Onderhandelingen hadden ertoe geleid dat op 27 december van dat jaar Nederland de soevereiniteit overdroeg aan een Verenigde Staten van Indonesië (Republik Indonesia Serikat: RIS). Die federale structuur van Indonesië, met vijftien deelstaten waaronder de Republiek Indonesië, was een compromis waar zeker de Indonesische kant niet erg blij mee was. Een grote groep aan Indonesische zijde zag het federalisme als een poging van Nederland om via een paar deelstaten invloed te behouden. Zij waren voorstander van een eenheidsstaat, een unitaristische staat. Bovendien was Nederlands Nieuw Guinea, Papoea, tot grote ergernis van Indonesië niet in de soevereiniteitsoverdracht meegenomen. Voor de Indonesische nationalisten die hadden gestreden voor ‘vrijheid van Sabang (in Aceh) tot Merauke (in Papoea)’ was de dekolonisatie dus nog niet voltooid. Tot begin jaren zestig zou de ‘kwestie Nieuw Guinea’ de relatie tussen Indonesië en Nederland negatief blijven beïnvloeden.

APRA-actie
 
RIS
Direct al in januari 1950 begon de federale structuur te wankelen door een politieke machtsstrijd die uitbrak tussen unitaristen en federalisten. Als reactie tegen de unitaristen startte op 23 januari de Nederlandse kapitein Westerling, die eerder verantwoordelijk was geweest voor de Speciale Troepen, een actie om in Bandung en Jakarta de unitaristische leden van de federale regering uit te schakelen. Aan deze actie, die bekend werd onder de naam ‘APRA’ (Angkatan Perang Ratu Adil; de strijd van de rechtvaardige vorst) deed een grote groep Molukse militairen mee. De APRA-actie mislukte binnen een paar dagen. De APRA-actie had verstrekkende gevolgen. Omdat Westerling een Nederlander was waren de unitaristen er nog meer van overtuigd dat de vroegere kolonisator Nederland, via de deelstaten invloed wilde houden. Ook de Molukse KNIL-militairen, die de belangrijkste steunpilaar voor APRA waren, werden met meer argwaan bekeken. Bovendien werd de deelstaat Pasundan, waar de actie in Bandung was begonnen, onder curatele van de federale regering gesteld. In zekere zin was dat het begin van de ontmanteling van de federale staat. Gedurende de eerste maanden van 1950 hieven steeds meer deelstaten zich op en zochten, al dan niet onder druk, aansluiting bij de Republiek Indonesië die formeel ‘slechts’ ook maar een deelstaat was. Het feit dat het federale leger, de Angkatan Perang Republik Indonesia Serikat (APRIS) vooral bestond uit militairen van de Republik Indonesia, speelde een belangrijke rol in de druk die werd uitgeoefend op de deelstaten om bij de Republik Indonesia aan te sluiten.
Medio april waren nog maar drie van de oorspronkelijke vijftien deelstaten over: de Republiek Indonesië, Oost-Sumatra en Oost-Indonesië. De deelstaat Oost-Indonesië, waarvan de Zuid-Molukken deel uitmaakten, stond op het punt zich ook op te heffen. Om dat te voorkomen brak op 5 april een opstand uit onder leiding van kapitein Andi Azis, een voormalige KNIL-officier die met zijn troepen was overgegaan naar het Indonesische Leger. Ook hier speelden Molukse militairen een belangrijke rol in het steunen van de opstand. Aziz werd op 14 april in Jakarta gearresteerd toen hij daar aankwam om te onderhandelen. Op 20 april trokken federale troepen Makassar, de hoofdstad van Oost-Indonesië binnen en namen de macht over. Op 9 mei werd een nieuwe, pro-unitaristische, deelstaatregering geïnstalleerd.

RMS
In de Zuid-Molukken was toen al een eigen republiek uitgeroepen. Mr. Dr. Chris Soumokil, minister van Justitie van de deelstaat Oost-Indonesië en betrokken bij de coup van Andi Azis, was na het mislukken van de actie naar Ambon vertrokken. Daar sloot hij zich aan bij de groep rond de leraar J.A. Manusama. Hoewel zij oorspronkelijk federalisten waren bekeerden zij zich tot het separatisme in reactie op de komende opheffing van de deelstaat Oost-Indonesië. Op 18 april organiseert Manusama nog een bijeenkomst ter ondersteuning van de deelstaat, maar tijdens een bijeenkomst in Tulehu op 23 april valt het besluit om een eigen staat uit te roepen omdat Oost-Indonesië verloren lijkt. Tijdens een besloten bijeenkomst op 24 april roepen, onder druk van aanwezige militairen en politici, J. Manuhutu en A. Wairisal de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken, de RMS (Republik Maluku Selatan) uit. Omdat zij respectievelijk voorzitter en vicevoorzitter van de Zuid-Molukken Raad (een soort provinciale staten van de Zuid-Molukken) waren, waren zij ook de hoogste politieke gezagsdrager in de Zuid-Molukken. Op 25 april werd de proclamatie via Radio Ambon officieel wereldkundig gemaakt. Twee dagen later, op 27 april wees de RMS-regering de in Rotterdam wonende arts J. Nikijuluw aan als haar vertegenwoordiger in Nederland.

Vertrek van de Nederlandse gemeenschap van Ambon, 14 mei 1950. Met korte broek: kolonel Schotborgh.
 
De federale regering van Indonesië accepteerde de onafhankelijkheidsproclamatie van de RMS niet en voerde de druk op om de RMS te breken. Op 1 mei arriveerde een Indonesische delegatie onder leiding van de Molukse minister uit de federale regering, J. Leimena. Echter zonder succes. 8 Mei was het de beurt aan de Nederlandse kolonel Schotborgh om de RMS over te halen hun ‘rebellie’ te beëindigen. Andermaal zonder succes, de ongeveer 1200 op Ambon aanwezige Molukse KNIL-militairen treden uit het KNIL en vormen de APRMS. Per 16 mei blokkeerde de Indonesische regering de Zuid-Molukken om de RMS op de knieën te krijgen. Op 3 juni bezette het Indonesische leger, met in de gelederen ook het Molukse Pattimura Bataljon,  een eerste dorp op Buru, waarna meerdere landingen volgen op Buru en Ceram. Op 28 september wordt de definitieve aanval op Ambon ingezet. Als gevolg van de strijd besloot de RMS regering op 29 november zich terug te trekken op Ceram. Het duurde nog tot in de eerste maanden van 1951 voordat het Indonesische leger de macht over alle Molukse eilanden heeft, uitgezonderd een deel van de binnenlanden van Ceram waar de RMS-guerrilla zich heeft terug getrokken. De Indonesische tegenstander was op dat moment al niet meer de Verenigde Staten van Indonesië, maar de Eenheidsstaat Indonesië. Op 15 augustus namelijk, twee dagen voor de vijfjarige herdenking van de proclamatie uit 1945, was de Indonesische federatie officieel  omgezet in een eenheidsstaat en was Indonesië teruggekeerd naar die proclamatie en de grondwet die in 1945 was gemaakt.

KNIL-militairen
Buiten de Molukken verbleven nog ruim 4.000 Molukse KNIL-militairen in afwachting van hun demobilisatie. Op 26 juli werd het KNIL opgeheven en kregen de Molukse militairen die niet waren afgevloeid tijdelijk de status van militair in dienst van de Koninklijke Landmacht. De spanningen tussen deze Molukse (ex)KNIL-militairen en Indonesische republikeinen nam in de loop van 1950 almaar toe. De betrokkenheid van Molukse militairen bij de APRA, de Andi Azis en de RMS had dat alleen maar versterkt. Op meerdere plaatsen braken gevechten uit tussen deze Molukse en Indonesische militairen. Op 5 en 6 augustus komt het in Makassar zelfs tot massale vechtpartijen waarbij het Indonesische leger aanvallen uitvoerde op het doorgangskamp waar Molukse militairen met hun gezinnen verbleven. De Nederlandse autoriteiten besloten alle Molukse militairen waarvoor zij nog verantwoordelijk waren bij elkaar te brengen in kampen op Java. Op 20 augustus werd de evacuatie vanuit Makassar voltooid.
Omdat de demobilisatie van de Molukse (ex)-KNIL militairen niet opschoot en de angst onder de militairen bestond dat Nederland ze op een plek tegen hun wil zou demobiliseren, vertrok op 8 augustus een delegatie onder leiding van sergeant Aponno namens de Molukse militairen naar Nederland. Op 4 december dagvaardde de delegatie de Nederlandse regering voor een kort geding op 16 december. Ze vroeg de rechter om de regering te verbieden de Molukse militairen te demobiliseren op een plaats waar zij dat niet wilden. Op 21 december stelde de rechter de Molukse militairen in het gelijk, wat de situatie voor de Nederlandse regering ingewikkeld maakte: Molukkers hadden een grote stem gekregen in waar zij niet zouden afvloeien. Op 22 januari 1951 werd dat vonnis in Hoger Beroep bevestigd. Eerder, op 5 december, hadden voorlieden van de Molukse militairen en de Nederlandse militairen met autoriteiten op Java nog afspraken gemaakt over transporten naar de Molukken. Op basis van die overeenkomst was de verwachting dat de Molukse militairen binnen drie maanden terug zou gaan naar de Molukken. Het kort geding van de delegatie Aponno, had die overeenkomst van tafel geveegd. Er vertrok in december alleen nog een transport met – vooral Zuidoost-Molukse – militairen en hun gezinnen naar de Molukken. Zij hadden ervoor gekozen om toch daar te worden gedemobiliseerd.

We weten nu dat het kort geding de opmaat was voor de overkomst van 3.500 Molukse militairen en hun gezinnen naar Nederland in 1951. Tot zover de ‘kroonjaar-gebeurtenissen’ uit 1950. Volgende maand staan 1970 en 1975 centraal.

MHM/coll. J. Matauseja


Laatst bijgewerkt: 28 feb. 2016