Herinneringen aan de Kerusuhan

Column van Fridus Steijlen

Met een collega van de Pattimura Universiteit reed ik langs de noordkust van het eiland Ambon, van Hila naar Hitu. Ze wees naar wat vervallen gebouwen tussen de weg en de zee: “Dat was een veldstation van de universiteit. Tijdens de kerusuhan zijn de mensen daar allemaal vermoord. Waarom? Later hebben ze ook de campus op Poka aangevallen. Ik snap het niet, de universiteit was van iedereen.” Iets later bogen we bij Hitu af naar het zuiden, richting Ambon, waarop ze na een tijdje zei: “In dit dorp vond de eerste massale aanval plaats. Het was georganiseerd, ze werden in vrachtwagens aangevoerd. Het dorp lag ingeklemd tussen twee islamitische dorpen. Ze konden geen kant op.”


Straatbeeld tijdens de Kerusuhan, 1999 (MHM/coll. C.J. Heij)

Deze spontane herinneringen ‘on the road’ waren slechts enkele van de momenten waarop men mij tijdens mijn verblijf in Maluku afgelopen november wees op wat er deze maand precies twintig jaar geleden gebeurde: De kerusuhan, het gewelddadige conflict dat op 19 januari 1999 uitbrak na een ruzie tussen een buschauffeur en een passagier. Het ‘incident’ leidde tot een burgeroorlog waarin mensen via religieuze lijnen werden gerekruteerd. De schrik was groot: de Molukken waren toch een voorbeeld van vreedzame co-existentie tussen moslims en christenen en er waren toch mechanismen als de dorpsverbonden, de pelaschappen, die een positieve invloed hadden op die co-existentie? Nee, de schuld moest vooral buiten de Molukken worden gezocht, vond men.

Na de val in 1998 van president Suharto, de dictator die na 35 jaar was genekt door een monetaire crisis, was er een machtsvacuüm ontstaan. In dat vacuüm streden groepen om de macht waarin, wat men noemde, horizontale conflicten tussen etnische of religieuze groepen een rol speelden. En natuurlijk waren de traditionele verbanden gebaseerd op de adat, het gewoonterecht, tijdens het regiem van Suharto ondergraven. Maar men had ook de ogen gesloten voor een stille competitie tussen christenen en moslims. Ik herinner me nog dat het christelijk hoofd van het planbureau in Ambonstad mij in 1986 vertelde dat hij op vrijdagochtend gebedsdiensten hield met zijn hoofdzakelijk christelijke medewerkers omdat de hoofdzakelijk moslimambtenaren van het provinciale planbureau aan de andere kant van de straat dan naar de moskee gingen.

Er was dus wel degelijk een potentiele voedingsbodem waardoor christenen en moslims tegenover elkaar konden komen te staan. Maar de felheid en vooral ook het geweld, of in ieder geval de massaliteit daarvan, verbaasden en maakten angstig.
Toen de Molukken uit het conflict opkrabbelden, ging men nadenken over de waarde van adat. Bijvoorbeeld van de pelaverbonden. Er ontstonden experimenten waarin een pelaverbond werd gesloten tussen moslim- en christenorganisaties. Een ‘pela 3.0’ om het zo maar eens te zeggen. Ook religieuze verscheidenheid en religieuze afspiegeling werden gevoelige onderwerpen. Op de Pattimura Universiteit bijvoorbeeld werden afspraken gemaakt over een evenredige verdeling van functies in het management tussen moslims en christenen. Toen vorig jaar een christen tot decaan werd verkozen in plaats van een moslim, was dat aanleiding voor felle protesten. Ook dat protest, of beter gezegd de sensitiviteit voor de religieuze achtergrond van een functionaris, was een nagalm van de kerusuhan van twintig jaar geleden.

Na het ritje langs het voormalige veldstation van de universiteit aan de noordkust van Ambon realiseerde ik me dat men tijdens gesprekken al vaker had gerefereerd aan de kerusuhan. Bijvoorbeeld Hotel Manisé, waar ik een tijdje verbleef. Dit hotel werd de ‘safe haven’ tijdens de kerusuhan genoemd. Dat werd niet beschoten. Tante Mans Muskita uit Jakarta had er gelogeerd, een professor van de universiteit had er tijdelijk onderdak gevonden toen hij moest verhuizen uit een belegerd deel van de stad. Het voelde bizar om in een hotel te verblijven waar men in tijden van hevige onlusten omheen vocht. En in de Zuidoost-Molukken vertelde men mij vol trots dat de kerusuhan daar geen voet aan de grond had gekregen omdat de adat de religieuze tegenstellingen nog kon overbruggen. En ik hoorde ook over plekken op Ambon waar buren elkaar zo goed en zo kwaad als het ging beschermden.

De kerusuhan begon twintig jaar geleden. Twintig jaar is in de sociale wetenschappen een generatie. Dat wil, bij wijze van spreken, zeggen dat er Molukse jongeren zijn voor wie de kerusuhan iets is van lang geleden, iets van voordat zij geboren werden. Toch is de kerusuhan nog steeds actueel. In de vorm van het niet meer in gebruik genomen veldstation van de Pattimura Universiteit, in de alertheid op de religieuze achtergrond van functionarissen en vooral de herinneringen.

Het zou mooi zijn om dit jaar bij de verwerking van de kerusuhan stil te staan. Niet alleen op de Molukken, maar ook wat het heeft gedaan met de Molukse gemeenschap in Nederland.




Laatst bijgewerkt: 12 jan. 2019