Onderzoek

Geschiedenisonderzoek


In 2006 verscheen de publicatie 'In Nederland gebleven' van Henk Smeets en Fridus Steijlen. Dit is de hoofdstudie van een serie waarin ook de deelstudies 'Andere verhalen' en 'Molukkers in Zeeland' zijn verschenen. Onlangs is ook de deelstudie over Molukkers in Brabant gepresenteerd onder de titel 'Tjakalele en carnaval'.


'In Nederland gebleven' beschrijft uitgebreid de geschiedenis van de Molukse bevolkingsgroep, vanaf de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië in 1949, hun vertrek naar Nederland in 1951, de periode van stagnatie tot 1970, de radicalisering in de jaren ’70, het snelle integratieproces in de jaren daarna en de nieuwe stagnatie aan het begin van deze eeuw, mede als gevolg van de burgeroorlog op de Molukken. Conclusie: het gaat beter met de Molukkers in Nederland, maar voor een deel van de bevolking is het integratieproces nog niet voltooid.

De belangrijkste ontdekking van het onderzoek is dat een deel van de Molukse ex-KNIL-militairen die in 1951 in Nederland aankwam wel degelijk een schriftelijk dienstbevel heeft gekregen, ook al is dit decennialang door opeenvolgende Nederlandse regeringen ontkend. De redenen die werden aangevoerd om de Molukkers na aankomst te ontslaan, waren gelegenheidsargumenten. De werkelijke reden was dat men deze etnische groep niet in Nederland wilde hebben. Het zogenaamde verbod op werken voor Molukkers blijkt niet te hebben bestaan, dit was het resultaat van ’manipulatie’ door een hoge ambtenaren. In de studie komt ook de inhoud van het in 1975 gesloten akkoord van Wassenaar aan de orde. Formeel is dit akkoord staatsgeheim, maar het blijkt gewoon opvraagbaar te zijn bij het Nationaal Archief en was omstreeks 1980 al in het bezit van de secretaris van pro-RMS-organisatie Door De Eeuwen Trouw. Verder blijkt dat de Nederlandse regering in 1977 wilde kiezen voor de gemengde commissie Köbben-Mantouw als adviesorgaan, daarmee het volledig Molukse Inspraakorgaan buiten spel zettend. Tijdens de ontruiming van kamp Vaassen in 1976 werden een aantal barakken die nog niet voor sloop bestemd waren, bewust gesloopt om te voorkomen dat de ME nog eens terug zou moeten komen. Er was geen sprake van een fout zoals tot nu toe werd gedacht. In de periode na deze illegale sloop deed de overheid zelfs een beroep op Molukse ordediensten om werklieden op het kampterrein te beschermen, terwijl de Kamer was toegezegd dat deze ordediensten zouden worden ontbonden.

Het boek is op 14 oktober 2006 gepresenteerd tijdens een studiedag in het Museum Maluku. Het Boek is een gezamenlijke uitgave van Uitgeverij Bert Bakker en het Moluks Historisch Museum. Het boek kost 24,95 euro (ISBN 90 351 30987) en is verkrijgbaar door een mail te sturen naar nwigard@museum-maluku.nl Prijs: 17 euro incl. verzendkosten.



Hieronder vindt u de lezing van Henk Smeets, gehouden tijdens de presentatie:


In Nederland gebleven
Nieuwe inzichten op basis van het onderzoek


Het jaar 2005 was het jaar van de geschiedenis. We werden overladen met allerlei publicaties over geschiedenis. Veel was beknopt, handzaam, voor een breed publiek. Dat gold bijvoorbeeld voor het Klein Cultureel Woordenboek van de Nederlandse geschiedenis van Jan A.F. de Jongste, André van Os & Richter Roegholt. Dit vademecum bevat ook het trefwoord ‘Molukkers’. Welke informatie wordt daarover verschaft?

Molukkers Ook: Zuid-Molukkers of Ambonezen. Oorspronkelijk inwoners van het eiland Ambon, in koloniale tijd overgegaan tot het christendom. Uit hun midden werd het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) gerekruteerd. Nederland heeft nooit de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) erkend, die op 24 april 1950 op Ambon werd opgericht en enkele maanden heeft bestaan totdat ze eind van dat jaar werd opgerold door de strijdkrachten van Soekarno (zie ook: Indonesische revolutie). Dat was een probleem bij demobilisering van het KNIL: militairen mochten uit het leger treden in het gebied waar zij zich wilden vestigen, maar de keuze voor de Zuid-Molukken was onaanvaardbaar voor Indonesië. Uiteindelijk troffen de Molukkers een vergelijk met de Nederlandse overheid: wie niet op Indonesische grondgebied wou demobiliseren, mocht dit in Nederland doen. Complete gezinnen, in totaal 12.500 mensen, kwamen in 1951 naar Nederland maar hoopten op terugkeer naar de RMS onder hun president J.A.J. Manusama (regering in ballingschap. In Nederland werden zij in woonoorden ondergebracht. Er waren gewelddadige conflicten met de Nederlandse orde, met name de treinkapingen van 1975 en 1977. In 1990 werd in Utrecht een Moluks Historisch Museum geopend (Amsterdam 2005, p. 153).

Bij het begin van de week van de geschiedenis 2006 en aan de vooravond van de publicatie van de canon van de Nederlandse geschiedenis lijkt het mij goed deze compacte informatie over Molukkers eens tegen het licht te houden. Mijn vraag aan u: hoeveel fouten maken deze historici in plusminus vijftien regels? Maar liefst zeven fouten. Ik loop ze even met u na:

1. Molukkers zouden oorspronkelijk inwoners van het eiland Ambon zijn geweest. Daarmee wordt voorbijgegaan aan Molukkers afkomstig van Saparua, Haruku, Nusa-Laut, Seram. De Noord- en Zuidoost-Molukken.
2. Molukkers zouden in de koloniale tijd zijn overgegaan tot het christendom. Dat geldt echter maar voor ongeveer de helft van de bevolking. Wel bestaat de groep die uiteindelijk naar Nederland kwam grotendeels uit christenen.
3. Uit hun midden werd het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) gerekruteerd. Uit hun midden werd inderdaad gerecruteerd, maar het KNIL bestond slechts voor een beperkt deel uit Molukkers. De meeste KNIL-lers waren moslims, afkomstig van Java.
4. De Republiek der Zuid-Molukken werd opgerold door de strijdkrachten van Soekarno. Dat klinkt alsof het veroveren van Ambon probleemloos is verlopen, terwijl die verovering veel en veel langer duurde dan het Indonesische leger had verwacht en hoge verliescijfers opleverde.
5. Uiteindelijk troffen de Molukkers een vergelijk met de Nederlandse overheid. Van zo’n vergelijk was helemaal geen sprake.
6. Wat zou dat vergelijk hebben ingehouden? Wie niet op Indonesische grondgebied wou demobiliseren, mocht dit in Nederland doen. Van demobilisatie was echter geen sprake. De Molukkers kwamen naar Nederland en werden daar gedemilitariseerd. Dat mocht niet; dat moest.
7. In totaal kwamen 12.500 mensen in 1951 naar Nederland, die hoopten op terugkeer naar de RMS onder hun president J.A.J. Manusama. J.A.J. Manusama, oom Arie, zit hier vandaag in de zaal. Ir. J.A. Manusama, die door de auteurs bedoeld wordt, was in 1951 niet in Nederland en was toen bovendien nog geen president. Hij arriveerde pas in 1953 en werd pas president in 1966 na de executie van president Chr. Soumokil.

Het is een voorbeeld uit vele publicaties, die halve waarheden of soms regelrechte onzin bevatten over de geschiedenis van de Molukkers in Nederland. Die voorbeelden zijn ook te vinden in geschriften van Molukse kant, van Nederlandse journalisten, memoires van Nederlandse autoriteiten, enzovoorts. Zo vertelt Max Taihuttu in een overigens aardig boek over Molukkers in Tiel dat de Molukse militairen in 1951 op last van de Nederlandse rechter naar Nederland moesten. Dat is niet juist: de rechter verbood de Nederlandse regering alleen maar om de militairen tegen hun wil in Indonesië achter te laten. Over de aankomst in Nederland meldden andere Molukse bronnen dat koningin Wilhelmina (Ten Brinke 2005) of mevrouw Van Mook (Sahertian 1995) op de boot waren om hen welkom te heten. Dat gebeurde echter door de weduwe van generaal Spoor. Maar ook de landelijke terreurofficier ten tijde van de kapingen, mr. R.A. Gonsalves, baart met in zijn memoires opzien, als hij in reactie op de gijzeling van het Drentse provinciehuis in 1978 schrijft dat de overheid die actie niet meer verwacht had, omdat sinds de gijzelingen van 1977 veel gedaan was aan de bestrijding van de Molukse werkloosheid en de verbetering van hun opleidingen. Citaat: ‘De Zuid-Molukkers hadden het gevoel dat de Nederlandse regering hun problemen volledig au sérieux nam en binnen de beperkte grenzen die het internationale bestel ons nu eenmaal oplegde, toch haar uiterste best deed zoveel mogelijk voor de Zuid-Molukse gemeenschap te doen’. Einde citaat (Gonsalves en Verhoog 1999). Na de gijzelingen van 1977 was weliswaar veel gepraat op interdepartementaal niveau, maar was van uitvoering van nieuw beleid nog geen sprake. De Molukkersnota van het kabinet-Van Agt/Wiegel verscheen op 26 januari 1978 en de aanval op het provinciehuis vond op 13 maart van dat jaar plaats. De Tweede Kamer sprak pas op 29 mei 1978 voor het eerst over de Molukkersnota en rondde dat debat op 5 september af. Gonsalves herinnering dat vóór de bezetting van het provinciehuis al veel gebeurd was op het gebied van onderwijs en arbeidsmarkt klopt dus niet; evenmin als zijn indruk van de Nederlandse activiteiten op internationaal niveau.

Ik geef u deze voorbeelden om u te laten zien dat de beslissing van de toenmalige minister Van Boxtel om onderzoek te laten doen naar de geschiedenis van Molukkers in Nederland geen overbodige luxe was. Het was alle reden om na te gaan hoe de vork nu echt in de steel zat. En dan heb ik het nog niet eens over controversiële kwesties, waar Molukkers en de Nederlandse regering al vanaf 1950-‘51 over strijden. Ik noem er twee. Nederland zou de RMS steun beloofd hebben en vervolgens die steun niet hebben gegeven. En: Molukkers zouden op dienstbevel naar Nederland zijn overgebracht. We hebben in de afgelopen talloze archieven onderzocht aan Nederlandse en Molukse kant. Daarnaast zijn allerlei betrokkenen geïnterviewd en hebben we ook al bestaand interviewmateriaal beluisterd. Het resultaat ligt nu voor u. Het is de eerste keer dat de totale periode van het verblijf van Molukkers in Nederland en de bewogen jaren vlak daarvoor onderwerp is geweest van historisch onderzoek. Doordat dit keer veel meer archieven dan voorheen toegankelijk waren, zowel aan Molukse als aan Nederlandse kant, kon een completer beeld verkregen worden van die geschiedenis. Het archief van het Commissariaat van Ambonezenzorg (CAZ) was al lang te raadplegen, maar na de overdracht aan het Nationaal Archief en een grondige inventarisering was dit archief toegankelijker dan voorheen. Ook de notulen van de ministerraad zijn nu tot voor bij 1970 openbaar en konden door ons zelfs tot en met 1986 worden geraadpleegd. Van groot belang was ook de database van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis over de Nederlands-Indonesische Betrekkingen van 1950 tot en met 1963. Van deze database, die waarschijnlijk later dit jaar operationeel wordt, hebben wij een proefversie mogen gebruiken, waardoor een schat aan gegevens beschikbaar kwam over de periode na de Soevereiniteitsoverdracht, de uitroepeing van de RMS, de afwikkeling van het KNIL en de overbrenging van de Molukse militairen naar Nederland. Bijzonder was ook dat we Molukse archieven die verzameld zijn door het Moluks Historisch Museum meer dan tot nu toe in het onderzoek konden betrekken. We zijn de archief- en databasebeheerders van genoemde en andere instellingen veel dank verschuldigd. Betekent dit nu dat we een ‘Lou de Jong’-achtig werk over Molukkers hebben geschreven? Allerminst. Die pretentie hebben we nooit gehad. Die pretentie kan een geschiedkundig werk ook niet hebben. Het lot van ieder wetenschappelijk geschrift is, dat het de stand van zaken op enig moment weergeeft en vanaf dat moment veroudert, omdat onderzoek doorgaat en nieuwe vondsten zorgen voor aanvullingen of correcties. Een onderzoek kan ook niet zo allesomvattend zijn, dat alle facetten van de geschiedenis even uitputtend behandeld kunnen worden. Ook al telt deze studie 469 pagina’s en is getracht een zo getrouw mogelijk beeld te geven van wat is voorgevallen, toch blijven er tal van kwesties onbesproken en blijven andere zaken in nevelen gehuld. De wetenschappelijke commissie die ons in de afgelopen jaren op een stimulerende wijze heeft begeleid, heeft ons behoed voor een dikker boek met opmerkingen als ‘daar zou ik maar eens een artikel aan wijden’ of ‘zorg eerst maar eens voor steviger bewijzen’. Geschiedenis is een doorgaand proces van waarheidsvinding en kan onmogelijk met de publicatie van een boek worden afgesloten.

De cruciale vraag is: wat hebben wij gevonden? Maar voor ik daar nader op in ga, wil ik verduidelijken wie ‘wij’ zijn. Dat zijn niet alleen de twee auteurs die tekenen voor de hoofdstudie die vandaag gepubliceerd wordt. Dat zijn ook elf onderzoekers die in voorbije jaren onderzoek hebben gedaan naar deelonderwerpen. Die deelonderwerpen waren: de niet-Ambonese Molukkers, de katholieke en moslim-Molukkers, Molukkers met een andere aankomstgeschiedenis of een andere beroepsachtergrond dan de meerderheid van Molukse ex-KNIL-militairen, en verder allerlei contacten met het moederland, de geschiedenis van inspraak en overleg met de Nederlandse overheid en de geschiedenis van Molukkrs in bepaalde provincies. Eén boek, Andere verhalen, van Tonny van der Mee en Domingo Tomasouw zag vorig jaar al het levenslicht. Andere boeken zullen nog volgen. Veel van het onderzoeksmateriaal van de elf onderzoekers is intussen in de hoofdstudie verwerkt. In het verlengde van dit onderzoek studeerden ook twee studenten nog af op Molukse onderwerpen: één in Utrecht op de geschiedenis van het ICCAN en één in Nijmegen op de Nederlandse reacties op de komst van Molukkers naar Gennep. Meer scripties zullen nog volgen.
Terug naar de vraag wat we hebben gevonden. Om te beginnen hebben we kunnen vaststellen dat de geschiedenis van Molukkers op een aantal hoofdpunten is verlopen zoals al eerder beschreven. De hoofdlijnen van de dekolonisatie van Nederlands-Indië en de vorming van het nieuwe Indonesië worden door deze studie niet aangetast. Ook de constatering van minister Van Boxtel in 2001 dat Molukkers in Nederland een valse start hadden gemaakt die jarenlang voor stagnatie heeft gezorgd, blijft overeind. Dat de opkomst van de tweede generatie en de radicalisering in de periode 1966-’78 grote veranderingen teweeg hebben gebracht in de Molukse samenleving en in de verhouding tussen Molukkers en Nederlanders is ook onze conclusie. Dat na 1977 ruimte ontstond voor heroriëntatie en dat zowel van Nederlandse als van Molukse kant werd gewerkt aan verbetering van de positie van Molukkers in de Nederlandse samenleving en daardoor ook aan verbetering van de Moluks-Nederlandse verhoudingen is door onszelf, maar ook door anderen al eerder beschreven. Na deze opsomming gaat u zich wellicht afvragen waarom dit boek überhaupt is geschreven. Daar zijn twee goede redenen voor. Om te beginnen is het goed om op basis van historisch onderzoek vast te stellen wat klopt van allerlei verhalen die in voorgaande decennia zijn opgeschreven. En dat is des te meer van belang als wij vervolgens laten zien dat op andere punten een correctie van het bestaande beeld op zijn plaats is. En die correctie beperkt zich niet alleen tot ondergeschikte punten.

In deze inleiding zal ik nader ingaan op die zaken die een afwijking betekenen van het bestaande beeld. Soms zult u zeggen: dat wisten we al, maar dan gaat het vaak om kwesties waar tot nu toe verschillend over gedacht werd en waar wij nu aangeven wat nu werkelijk is gebeurd. Dat kan sporen met wat u altijd had gedacht, maar dan weet u nu ook dat de opvatting van anderen niet klopt met wat wij hebben gevonden. Of omgekeerd…
Door enkel stil te staan bij de nieuwe gezichtspunten wordt de inhoud van ons boek enigszins vertekend. U moet het boek zelf dus lezen om weer een evenwichtig beeld te krijgen.

Wat hebben we aangetroffen? Ik behandel om te beginnen kwesties rond de uitroeping van de RMS, het dienstbevel en het ontslag uit militaire dienst.

De RMS – Niet geheel nieuw is de vaststelling, dat het idee om een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken uit te roepen pas vlak vóór 24 april 1950 ontstond, namelijk pas op het moment dat duidelijk werd dat de deelstaat Oost-Indonesië op zou gaan in de Indonesische eenheidsstaat. In zijn memoires schreef Manusama daar ook al over. Wij stellen vast dat het idee pas een paar dagen voor de proclamatie ontstond. Het was een noodsprong van politici die zich verzetten tegen de eenheidsstaat en Oost-Indonesië als deelstaat hadden willen behouden of dat gebied onafhankelijk hadden willen verklaren. Toen dat niet meer ging, bleef een onafhankelijk Maluku over, zonder dat een inschatting was gemaakt van de militaire en economische haalbaarheid van de nieuwe staat.
Het standpunt van de Nederlandse regering ten aanzien van de RMS is vanaf het begin geweest, dat Nederland de RMS niet kon erkennen. Van een steunbelofte aan de RMS is dus geen sprake geweest. Die afwijzing was echter niet gebaseerd op het later aangevoerde argument, dat alleen een deelstaat en niet een daerah (provincie) zoals de Zuid-Molukken zich op basis van de RTC-akkoorden van het zelfbeschikkingsrecht gebruik zouden kunnen maken. De Nederlandse regering vond aanvankelijk dat ook de Zuid-Molukken gebruik zouden kunnen maken van het interne en externe zelfbeschikkingsrecht, als uit een volksraadpleging zou blijken dat de Molukse bevolking daarvoor zou kiezen. Het ‘kongres kilat’ op 24 april 1950 op Ambon was te beperkt om als volksraadpleging voor de gehele Zuid-Molukken te worden beschouwd. Pas in latere jaren, bijvoorbeeld in de Molukkersnota, zouden de RTC-akkoorden in stelling worden gebracht om te verklaren waarom Nederland een onafhankelijk Maluku niet kon erkennen.
Begin Augustus 1950 vonden in Makassar gevechten plaats tussen ex-KNIL-militairen en het Indonesische leger. Van beide kanten was sprake van provocaties. Toch is het aannemelijk dat het hier om een geplande actie van het Indonesische leger ging met het doel de ex-KNIL-ers in Makassar uit te schakelen en te voorkomen dat een tweede Ambon-affaire zou ontstaan. De gecombineerde inzet van land-, lucht- en zeestrijdkrachten zou ook succes hebben gehad als de door Hoge Commissaris Hirschfeld gestuurde Kortenaer niet op het strijdtoneel was verschenen.

Het ‘dienstbevel’ – Fidus Steijlen zegt in zijn proefschrift over het dienstbevel dat er naast een ‘administratieve werkelijkheid’ ook sprake kan zijn van een ‘beleefde werkelijkheid’. Daarmee bedoelde hij dat het dienstbevel om naar Nederland te gaan wellicht niet op papier is gezet, maar dat de Molukse militairen in de gegeven situatie het scheepgaan naar Nederland wel degelijk als een bevel hebben ervaren of dat plaatselijke commandanten een dienstbevel hebben gegeven zonder dat dat bevel op papier is gegeven of in archieven bewaard is gebleven. Nadat Tonny van der Mee en Domingo Tomasouw eerder een dienstbevel hadden ontdekt, waarin Molukse militairen bij een ander transport (naar de Molukken, medio januari 1951) de opdracht kregen om aan boord te gaan, zijn nu ook twee dienstbevelen gevonden waarbij een met name genoemde groep Molukse militairen het bevel kreeg om aan boord te gaan van een boot naar Nederland. Hierdoor zijn de verklaringen bevestigd van sommige Molukse ex-KNIL-militairen, dat zij wel degelijk een dienstbevel hebben gekregen om naar Nederland te gaan.

De achtergeblevenen - Al lang gaan verhalen in de Molukse gemeenschap over gezinsleden die bij het vertrek naar Nederland niet mee mochten of konden. Tot voor kort werd aangenomen dat het hier slechts om een beperkt aantal gevallen ging. Uit nu gevonden archiefmateriaal blijkt dat het aantal ‘achtergeblevenen’ substantieel is geweest (in 1954 schatten Van Thiel en Luns dat het ging om 150 vrouwen en 350 kinderen) en dat gezinshereniging in veel gevallen bemoeilijkt is of onmogelijk gemaakt door bureaucratische barrières aan Nederlandse en vervolgens aan Indonesische kant.

Het ontslag uit militaire dienst – De besluitvorming ten aanzien van het ontslag in de ministerraad is nogal rommelig geweest: nadat in de ministerraad ontslag op dat moment ‘inopportuun’ werd verklaard en een ambtelijke commissie werd belast met het onderzoeken van de consequenties van een eventueel ontslag, ging deze commissie er ten onrechte van uit dat de ministerraad al tot ontslag had besloten. Door aanvaarding van de ambtelijke nota werd het ontslagbesluit vervolgens impliciet genomen.
Waarom wilde de Nederlandse regering de Molukse ex-KNIL-militairen niet in de Koninklijke Landmacht handhaven. Formeel worden daar doorgaans twee redenen voor opgegeven: de militairen hadden op grond van de RTC-akkoorden de Indonesische nationaliteit en Indonesiërs hoorden niet thuis in het Nederlandse leger; en: Nederland had Indonesië beloofd dat de militairen niet operationeel zouden worden ingezet.
Echter: tegelijkertijd dienden Molukse Marinemensen en een beperkt aantal commando’s, terwijl zij de Indonesische nationaliteit hadden, in de Nederlandse krijgsmacht. Zeker veertien van hen werden – nog in het bezit van de Indonesische nationaliteit - uitgezonden naar Korea.
De belofte om de ex-KNIL-lers niet operationeel in te zetten werd aanvankelijk door het kabinet zeer beperkt uitgelegd: het zou betekenen dat beloofd was om Molukkers niet operationeel in te zetten op Nederlands Nieuw-Guinea. Dat veranderde toen Molukkers het ontslag aan gingen vechten en de regering de belofte aan Indonesië daartegen in stelling bracht. Vanaf toen werd – hoewel niet eens consequent – uitgegaan van niet-operationaliteit waar ook ter wereld.
Maar veel belangrijker voor het ontslag was een andere reden, die niet te berde werd gebracht in relatie met de demilitarisering, die het ontslagbesluit oversteeg en lange tijd de basis vormde van het Molukkersbeleid: het feit dat de Nederlandse regering vond dat een Molukse bevolkingsgroep niet in Nederland diende te blijven, hier eigenlijk niet had mogen komen en – nu zij er eenmaal was – zo snel mogelijk weer zou moeten verdwijnen. Politici en ambtenaren hadden de overtuiging dat de Molukkers niet in staat zouden zijn te ‘assimileren’ in de Nederlandse samenleving. Een enkeling mocht wel blijven, maar een groep van 12.500 mensen niet.

Bij het ontslagbesluit was sprake van rommelige besluitvorming. Dat bleef niet beperkt tot die ene keer. Ook op andere momenten was daar sprake van. Zo was afgesproken dat minister Van Thiel ter voorbereiding van de Zelfzorg een nota aan de ministerraad zou voorleggen. De Zelfzorg werd echter zonder nota, zonder kabinetsbesluit, maar bij ministeriële beschikking in uitvoering genomen. Toen minister-president Drees er door een brief toevallig achter kwam, dat een week later de Zelfzorg zou worden ingevoerd, verwees Van Thiel naar eerdere besluitvorming. Niemand sprak hem tegen. Enige tijd later werd door minister Luns een nota toegezegd die in de ministerraad ook nog werd geagendeerd, maar nimmer behandeld. In 1973 – twee jaar voor de eerste treinkaping - maakte minister Pronk zich zorgen over hoe de Molukse gemeenschap zich verder zou ontwikkelen. Minister Van Doorn beloofde de ministerraad een nota op te stellen. Die nota werd niet geschreven.

Een volgende punt. Decennialang hebben onderzoekers, beleidsmakers en ook veel Molukkrs gedacht dat zij aanvankelijk niet mochten werken. Dit zou gebeurd zijn op verzoek van de vakbeweging. Ons onderzoek toont aan dat dit verhaal niet klopt. Integendeel! De notulen van de ministerraad laten zien dat de regering nadrukkelijk wilde dat de Molukkers zo snel mogelijk aan te werk gingen. In een aantal regio’s gebeurde dat ook. Het algemeen bestaande idee dat niet gewerkt mocht worden, heeft te maken met de rol die het Rijksarbeidsbureau gedurende enkele jaren heeft gespeeld. Door deze arbeidsvoorzieningsorganisatie werd bewust een passief beleid gevoerd, waardoor voor deze groep geen bemiddelingsactiviteiten werden ontplooid. Daarbij is door inspecteur-generaal Werner (en zijn opvolgers) verkeerde informatie verstrekt (o.a. aan de arbeidsbureaus) over het regeringsbeleid. In strijd met de wet beweerde hij bijvoorbeeld diverse keren dat Molukkers als vreemdeling pas zouden mogen werken als er geen Nederlands aanbod beschikbaar was, terwijl Molukkers die formeel dus Indonesiër waren als lid van de Nederlands-Indonesische Unie ‘als Nederlander behandeld’ moesten worden. De klachten van de vakbeweging hadden geen betrekking op de toetreding van Molukkers op de Nederlandse arbeidsmarkt, maar op het feit dat ze dubbele inkomsten hadden: verzorging door het Rijk en daarnaast inkomsten uit arbeid. De stelling dat Molukkers niet mochten werken is uiteindelijk door nagenoeg iedereen voor waar aangenomen.

De RMS en het buitenland – Door de jaren heen zijn veel pogingen gegaan om steun te krijgen voor de RMS van regeringen elders in de wereld of van internationale organisaties. Hoewel die acties doorgaans niet veel hebben opgeleverd, was de Nederlandse regering wel bezorgd over de effecten daarvan voor de Nederlands-Indonesische betrekkingen. Nadat Benin de regering van Tamaela had erkend, sprak dit land tot de verbeelding van veel Molukkers. Benin werd ook genoemd als mogelijk toevluchtsoord voor Molukse gijzelnemers. Dat betekent dat over de Nederlandse relatie met dit land wilde verhalen de ronde doen. Zo nu en dan duikt het verhaal op, dat Benin ontwikkelingshulp zou hebben gekregen in ruil voor de belofte dat dit land geen Molukse activisten zou opnemen. Van een dergelijke deal is geen sprake geweest. Dat blijkt uit een analyse van de onderhandelingen over de ontwikkelingshulp.
Een aantal keren is door de omgeving van Manusama getracht met landen afspraken te maken over trainingskampen om Molukse jongeren op te leiden voor de gewapende strijd op de Molukken. De pogingen van Metiarij om contact te krijgen met Vietnam zijn het bekendst omdat zij destijds uitgebreid in de pers zijn verschenen. Minder bekend is een vergelijkbare poging richting het Libië van Khadafi. In strijd met de koers van Manusama werden tijdens een reis naar Libië door een Molukse delegatie afspraken gemaakt om Molukse jongeren te laten trainen in Libië. Dit was een idee van de opstandige beweging in Aceh, die al in Libië trainde. De Molukse jongeren zouden dan eerst in Aceh en vervolgens in de Molukken worden ingezet. Deze afspraken werden na terugkomst van de delegatie door Manusama niet geaccepteerd. Dat leidde tot het aftreden van Dolf Lilipaly als lid van het kabinet-Manusama.
De Molukse kwestie speelt tot op de dag van vandaag een grote rol in de verhouding tussen Nederland en Indonesië. De door de EO uitgelokte uitspraken van de nieuwe Indonesische ambassadeur Habibie bewijzen dat, zoals ze ook zijn gebrekkige geïnformeerdheid over de huidige situatie aantonen. De mogelijkheden om tussen Nederland en Indonesië afspraken te maken over de Nederlandse Molukkers en bijvoorbeeld hun terugkeer naar Maluku waren sterk afhankelijk van de relatie tussen beide landen op basis van andere dossiers (de Nederlands-Indonesische Unie, de Nieuw-Guinea-kwestie, de mensenrechten). Na 1970 bleken Nederland en Indonesië de oplossing van de Molukse kwestie meer als een gezamenlijk belang te gaan zien. Repatriëring en allerlei vormen van contactreizen werden daarbij als instrument benut. Het Akkoord van Wassenaar legde de basis daarvoor en twee Joint Committees gingen aan de slag. Het Akkoord is formeel nog steeds een staatsgeheim. Het Inspraakorgaan dat eind jaren tachtig met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur de tekst van het akkoord wilde inzien, kreeg van de Raad van State nul op rekwest. Wat het Inspraakorgaan niet wist was, dat de secretaris van Door De Eeuwen Trouw, Gerhard Knot, de tekst van het akkoord als jaren in zijn bezit had, door vriendelijke tussenkomst van de pro-Indonesische organisatie Rukun Maluku. Waarmee maar weer blijkt dat de wereld ingewikkelder in elkaar zit dan op het eerste gezicht lijkt.

Ik stap over van het buitenland naar het binnenland; van de strijd naar het overleg. Het kabinet-Van Agt/Wiegel heeft vóór het uitbrengen van de Molukkersnota (1978) het besluit genomen om de Commissie-Köbben/Mantouw te behandelen als het adviesorgaan van de regering met voorbijgaan aan het Inspraakorgaan Welzijn Molukkers. Het voorstel in de Molukkersnota van een gemengde commissie als adviesorgaan van de regering was dus al praktijk. Destijds voelde het IWM de Commissie-Köbben/Mantouw als een bedreiging, hetgeen door de overheid en Köbben ten stelligste werd ontkend.

Ik eindig met de eerste ontruiming van kamp Vaassen. Bij die ontruiming is een aantal barakken die nog niet voor sloop bestemd waren, bewust gesloopt om te voorkomen dat de ME nog eens terug zou moeten komen. Tot nu toe werd aangenomen dat bij het slopen een fout was gemaakt. Intussen is duidelijk dat de burgemeester van Epe op verzoek van de politiecommandant toestemming heeft gegeven om nog bewoonde barakken plat te walsen, omdat anders de barakken die wel gesloopt moesten worden niet op tijd neergehaald hadden kunnen worden.
Ook is aan het licht gekomen dat de Nederlandse overheid vervolgens bij de sloop van een deel van het woonoord Vaassen een beroep heeft gedaan op Molukse leiders (ds. Metiarij en Tamaela-minister Manuputty) om door inzet van ordediensten de slopers te beschermen. Dit gebeurde op een moment dat aan de Kamer toegezegd was, dat deze ordediensten op grond van de Wet op de Weerkorpsen zouden worden aangepakt.

Tot zover een aantal nieuwe inzichten op basis van ons onderzoek. Ik begon deze inleiding met een fragment uit het Klein Cultureel Woordenboek. Je kunt zeggen, dat zeven fouten in een gelegenheidsuitgave allemaal niet zo schokkend is. Daarom tot slot nog een citaat. Het stamt uit de leerstofomschrijving van het eindexamen havo/vwo, waarin Molukkers als casus was opgenomen. De commissie schrijft: ‘De Nederlandse samenleving werd mede door deze groep blijvend beïnvloed en verrijkt met nieuwe cultuurelementen zoals Indische herinneringen, waarden en gebruiken (literatuur, muziek, eetcultuur)’. Je hoeft niet echt ingevoerd te zijn om te zien, dat de commissie hier niet de Molukkers maar de Indische Nederlanders typeerde. Ons boek voorziet dus in een behoefte.