Dagelijkse kleding

De kleding van de gewone vrouw bestaat uit een kain of sarong en een kebaja. Een kain is een lange lap stof die om het lichaam wordt gewikkeld. Een sarong is een aaneengenaaide lap stof die de vrouw over het hoofd heen aantrekt. De Ambonse kains zijn meestal gemaakt van ruitjesstof. De kebaja is een knie- tot kuitlange blouse met lange mouw die aan de binnenkant onzichtbaar gesloten wordt met kleine veiligheidsspelden. In plaats van de kebaja draagt de vrouw ook wel een badju tjele: een blouse met lange mouwen en een splitje middenvoor. Het haar is strak naar achteren gekamd in een konde bulan (maanvormige wrong) of een konde falungku (vuistvormige wrong).
De man gaat gewoonlijk gekleed in een pantalon met een overhemd of T-shirt.

De dagelijkse kleding van de vrouw uit de middenstand, de nona tjanela, is een sarong palekat (geruit) en een lange witte kebaja. In haar haar draagt ze een konde bulan met 1 sierspeld en aan haar voeten sloffen of sandalen. De nona tjanela dankt haar naam aan het schoeisel dat ze draagt bij kerkelijke aangelegenheden: zwarte tjanela’s (sloffen met omhoog stekende punten en een klein hakje, versierd met pailletjes).

De dagelijkse kleding van een vrouw van welgestelde familie, de nona rok, bestaat uit een sarong batik en een lange witte kebaja. In haar haar draagt ze 1 sierspeld en haar voeten zijn gestoken in sandalen.


Feestkleding

Religieuze kleding

Trouwkleding



Terug naar Achtergronden