Snuffelen in archieven

Column van Fridus Steijlen

Een van de eerste generatie Molukse KNIL-militairen die ik voor de zomer interviewde (zie Nieuwsbrief september 2016), vertelde dat hij dienst had genomen omdat hij had gehoord wat er op Java met Ambonezen gebeurde na de Japanse capitulatie. Van de vijftien die ik had gesproken leek hij daarmee de enige die zich direct had laten leiden door wat andere Molukkers overkwam. Dat veel Molukkers slachtoffer werden in de Bersiap, in de eerste gewelddadige maanden van de Indonesische revolutie,  is een terugkerend thema in de verhalen over het geweld in Indië direct na de Japanse capitulatie. Collega’s van mij zijn bezig met het systematisch doorploegen van documenten in het Nationaal Archief over wat er gebeurde op militair gebied tussen 1945 en 1950, dus vroeg ik wat zij tegenkwamen over Molukkers. Een van hen deed onderzoek in het archief van de Procureur-Generaal, de PG. Dat is de openbaar aanklager die moet beslissen of er iemand moet worden vervolgd. Mijn collega had al eerder verteld dat hij verwijzingen naar Molukkers, of beter gezegd Ambonezen, tegen was gekomen.

Ik mocht een keer over zijn schouder meekijken naar vermeldingen van Indonesisch geweld in het archief van de Procureur-Generaal. Variërend van moord tot vrijheidsberoving. Het ging om meldingen van de politieke afdeling van de RECOMBA, de Regeringscommissaris voor Bestuursaangelegenheden. In onderzoektermen is dit meekijken niets als het gaat om de hoeveelheid materiaal die er in de archieven ligt. Het is zoiets als even mogen ruiken aan een van de gerechten van een rijsttafel. Maar toch, het geeft een beeld. De ruim 180 pagina’s aantekeningen over vooral West- en Midden-Java, waarin ik mocht snuffelen, lieten ontwikkelingen zien langs twee lijnen. Een lijn waren veranderingen in de loop der tijd, dus verschuivingen in de categorieën slachtoffers tussen 1946 en 1949. De andere lijn was hoe onduidelijk het front was, dus wie er allemaal tegen wie vocht.

Om met dat laatste te beginnen. De geweldsrapportages lezend zag ik aan Indonesische zijde steeds weer nieuwe organisaties en milities genoemd worden. Nogal wat milities - in de rapportages vaak ‘bendes’ genoemd - hadden een Islamitische achtergrond. Zoals de Hezbollah (Gods leger) of de Tentara Islam (Islamitisch Leger). Maar er waren ook referenties aan de revolutie, zoals de TNI (Tentara Nasional Indonesia: Nationaal Indonesisch Leger). Weer andere benamingen wijzen erop dat er ook lokale milities actief waren: Tentara Siloeman (Het spookleger) en Barisan Tentara Dessa (Front van het dorpsleger). Het bevestigde de onduidelijke fronten in die tijd en tegelijk ook de verschillen aan Indonesische zijde.

Het veranderende beeld door de tijd dat te maken had met de categorieën slachtoffers, dat uit de meldingen van Indonesisch geweld opdoemde, verliep van willekeurige aanvallen op alles wat met Nederlanders te maken had tot gerichtere aanvallen op Indonesiërs die samenwerkten met de Nederlanders. In de rapportages die betrekking hadden op 1945 en 1946 was vaak sprake van moord op of geweld tegen Indo-Europeanen, Molukkers en Nederlanders. Zoals een van de aantekeningen over 1945:

“Begin October begonnen de relletjes in de buurt van Tjipinang. Twee Ambonsche bewakers, Tahalea en Soepasepa, werden vermoord. Naar verluidt zijn deze twee bewakers op het hooren van geweerschoten, naar buiten geloopen, waarna zij door Indonesiërs werden afgeslacht.”

Om vervolgens nog een aantal namen van Molukkers te noemen die waren vermoord. Dat niet iedereen met moord weg kwam blijkt uit een rapportage in januari 1945:

“Door een militaire patrouille van het 10de Bat. aan de wacht gebracht de persoon van Doim, afkomstig van Pasar Minggoe, verdacht van moord op den Ambonees Wattimena.”

In de jaren daarna ging het vaker om dorpshoofden en andere bestuurders, dorpsschrijvers of mensen die informant van de Nederlanders waren geweest. Dan komen ook meldingen waaruit blijkt dat Molukkers actief zijn aan het Nederlandse front. Een aantekening over een melding in november 1946:

“De stemming van het publiek en onze troepen is door voren gemeld omstandigheden eveneens op kookpunt gekomen; men voelt zich “onbehagelijk” door het verloop van de politieke besprekingen [...]. [...] ook de Ambonneezen zouden plannen hebben beraamd om eigenmachtig op te treden tegen de provoceerende TRI.”

Groene baret van het Korps Commandotroepen (MHM)

En dan wordt duidelijk dat later de ‘Groene Baretten’, waarin veel Molukkers dienden, hun duit in het zakje doen. Een aantekening over juni 1948 meldt dat de bevolking bang geworden is voor de Groene Baretten:
 
“Baret Hidjau” oemoemnja di takoeti oleh segenap lapisan ra’jat, karena mareka itoe di pandang “boeas”, hingga ra’jat djaoeh dan ta’ brani bergaoel.” (Alle mensen zijn bang voor de ‘Groene Baretten’, want zij ogen ‘wild’, dus blijft het volk weg en durft het niet samen te komen).

Zoals gezegd mocht ik even over de schouder meekijken, wat óók een beter zicht geeft op de situatie van Molukkers in de periode 1945-1950, zowel van militairen als van niet-militairen. Het laat zien dat het geweld indertijd vele kanten had. Het was even proeven en smaakt beslist naar meer. Het zou mooi zijn als iemand speciaal voor de Molukse geschiedenis deze archieven induikt.



Laatst bijgewerkt: 8 okt. 2016