Een flauwe grap of publiciteitsstunt

Column door Fridus Steijlen

‘Een flauwe grap’, zo noemde de 99-jarige Oom Piet de Kock de erkenning van de Molukse KNIL-militairen als veteraan, 66 jaar na hun ontslag. Hij zei dat in het NOS Acht Uur Journaal op 30 oktober. Aanleiding was het bericht dat de Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht, Hans van Griensven, besloten had de nog levende Molukse KNIL-mannen te eren met een ontvangst op landgoed Zwaluwenberg, te bekijken of zij nog in aanmerking kwamen voor medailles en ervoor te zorgen dat zij de veteranenstatus zouden krijgen.
De bekendmaking maakte nogal wat los. Op Molukse social media klonk aan de ene kant euforie: ‘Eindelijk en voor het eerst erkenning!’ Aan de andere kant werd het bericht met veel scepsis ontvangen: ‘Waarom nu pas, nadat zo velen van de eerste generatie al overleden zijn.’ En er was zelfs de stem van actiegroepen, die zich antifascisten noemen, die zei: ‘Geen erkenning, het zijn oorlogsmisdadigers die voor het gerecht moeten worden gebracht.’

Wat me opviel aan veel reacties was dat er iets was van collectief geheugenverlies of gebrekkige historische kennis. Dat laatste was zeker het geval bij de Inspecteur-Generaal. In het Radio 1-programma ‘De Ochtend’ vertelde hij dat hij via de facebookpagina van Maluku4maluku kennis had genomen van de situatie van de Molukse KNIL-militairen. Na een gesprek met de organisatie had hij besloten de Molukse mannen die nog leefden te eren. Waarom dat niet eerder was gebeurd, wist hij niet goed. Hij meende dat Molukkers onder gezag van het ministerie van Oorlog naar Nederland waren gekomen en dat er toen van alles niet goed was gegaan omdat Nederland bezig was met de wederopbouw en de Molukkers misschien ook niet altijd de goede weg wisten om hun recht te claimen. Volgens de Inspecteur-Generaal waren de Molukkers naar Nederland gehaald omdat zij volgens de wet niet ontslagen konden worden in een vreemd land, wat Indonesië was geworden. Daarom moesten ze eerst naar Nederland worden verplaatst. Geen enkel besef dus van de afwikkeling van het KNIL, de vele duizenden KNIL-militairen die in Indonesië al waren afgevloeid. Ook niet van de politieke turbulentie die de Molukse militairen naar Nederland bracht, dat zij hier slechts tijdelijk zouden blijven, dat zij wel degelijk hun ontslag aanvochten en dat zij indertijd vooral hun KNIL-recht om naar huis (de RMS) gebracht te worden wilden opeisen. De meeste strijd die zij met de Nederlandse regering voerden stond in het teken van dat ex-KNIL-recht: terugkeer naar huis. En dat de Nederlandse overheid moest erkennen verantwoordelijk te zijn voor de komst van Molukkers naar Nederland en dus voor hun welzijn en dat van hun gezinnen.


KNIL-demonstratie in Den Haag, 1990/1991 "Molukse oud-KNIL-militairen eisen gelijke behandeling met hun Nederlandse oud-collega's" (MHM/O. Tatipikalawan)

Ook in de Nederlandse media was weinig aandacht voor die specifieke positie van Molukse militairen indertijd en hun strijd. Over het algemeen werd het bericht vooral als een mooie vervolggeste van de overheid gepresenteerd na de regeling van de backpay twee jaar geleden. Waarbij zij even vergaten dat die backpay alleen betrekking had op mensen die al vòòr de Japanse inval in dienst waren. Daarvan was nog slechts een handvol in leven. De meeste Molukse ex-KNIL-militairen die nu erkenning krijgen, kwamen helemaal niet in aanmerking voor die backpay.

Maar ook door de meeste Molukse stemmen werd al te gemakkelijk voorbij gegaan aan delen van de geschiedenis. Voor het eerst erkenning? Nee. In 1986 kregen alle leden van de eerste generatie ‘uit waardering voor hun inzet’ een herdenkingspenning (ontworpen door de Molukse kunstenaar Pieter Noija) en een jaarlijkse gelduitkering ter hoogte van een retourtje Molukken. Natuurlijk was er kritiek op de penning, maar er waren ook veel leden van de eerste generatie die met trots de penning in ontvangst namen en genoten van de jaarlijkse uitkering. Die Gezamenlijke Verklaring in 1986, waar de penning en uitkering werden afgesproken, was voor het ministerie van Defensie wel een gemiste kans: zij was toen juist de grote afwezige! Toen al had het ministerie van Defensie haar waardering voor de Molukse mannen kunnen uitspreken.


Ontwerp van de Rietkerkpenning door Pieter Noija

Wat blijft er dan nog over van de erkenning die op 30 oktober werd aangekondigd? De Molukse ex-KNIL-militairen waren al lang veteraan. Die status heb je automatisch als je voor Nederland aan een oorlog hebt deelgenomen. Om de daarbij behorende rechten te genieten moet je je laten registreren en een veteranenpas aanvragen. Navraag bij het Veteranen-instituut leert dat de afgelopen 25 jaar meerdere Molukkers die veteranenpas hebben aangevraagd. Maar ook dat er gevallen zijn waarbij er volgens defensie onvoldoende bewijs is dat de betreffende mannen ook werkelijk in dienst waren geweest. Het Veteranen-instituut helpt ze dan die informatie wel te vinden.

Blijft dus over de ontvangst door de Inspecteur-Generaal op 21 november op de Zwaluwenberg. Waarmee de Inspecteur-Generaal vooral eerder gemiste kansen goedmaakt. Hopelijk heeft hij zich dan beter ingelezen in de achtergrond van de mensen wier lot hij zich nu aantrekt. Het zou gênant zijn als hij dan nog niet weet dat de mannen indertijd hun ontslag aanvochten en dat dé reden voor hun komst naar Nederland niet was om ze te kunnen ontslaan, ook al was dat wel wat er gebeurde. Als de Inspecteur-Generaal zich niet beter informeert dan wordt de erkenning vooral een publiciteitsstunt.



Laatst bijgewerkt: 8 nov. 2017